‘Kiezen voor ruïne of feniks is een eeuwenoud dilemma’

MEDIA: Enkele Arnhemmers gaven na de Tweede Wereldoorlog te ken­nen dat de Eusebius het beste kon worden geconserveerd als ruïne. Het zou zo een oorlogsmonument kunnen worden. Dergelijke discussies waren niet nieuw. Al na de Eerste We­reldoorlog ontbrandde in het Bel­gische Ieper een debat over het be­houd van de ruïnes van de geteisterde stad als symbool van de verschrikkin­gen. Anderen wilden Ieper juist als een feniks uit de as laten herrijzen, mooier dan ooit tevoren, als symbool van de levenskracht van de natie.
De keuze voor ruïne of feniks is een eeuwenoud dilemma. Romantici on­der negentiende-eeuwse bouwmees­ters kruisten de degens over de vraag of ingezakte kastelen en raadhuizen als symbool van menselijk verval moesten blijven staan of dat restaura­tie in de stijl uit het verleden op zijn plaats was. Daarbij werd ‘vroeger’ vaak mooier gemaakt dan het origi­neel of aangepast aan de eigentijdse mode in de architectuur. Bij restaura­ties uit deze tijd halen architecten die aanpassingen soms weer weg.
In het in november 1940 door de Duitse Luftwaffe verwoeste Coventry kozen de bouwmeesters na de oorlog voor behoud van de ruïne van de Sint Michael-kathedraal in combinatie met een nieuwe. In Berlijn bleef al­leen de stomp van de Gedächtnis­kirche overeind.
Arnhem koos voor de herrijzenis van de Eusebius in deels oude en nieuwe stijl. Teruggegrepen werd op een plat­tegrond van de torenvoet uit de vijf­tiende eeuw, naar het nimmer uitge­voerde ontwerp van architect J.W. Boerbooms uit 1895. De rest kreeg ook diens postume handtekening.
Restauratie-architect Berend Boeyin­ga tuigde de toren op met gedetailleer­de natuurstenen. ‘Mooier dan hij ooit geweest was’, oordeelde de historicus Ton Schulte later. Het latere verval van die stenen groeide uit tot de grootste kostenpost van de kerk.

(De Gelderlander, 17 september 2011)