“Een vermanende vinger naar de op hol geslagen mensheid”

MEDIA: De Eusebiustoren van Arn­hem, naoorlogs zorgenkind in een stoet van steigers, stond in de oorlog nog lang overeind. De genadeklap kwam in februari 1945.

Door Harry van der Ploeg
Topambtenaar Van Schilf­aarde van het Rijksarchief Gelderland reed in de winter van 1945 geregeld van Velp naar Arnhem in de hoop iets te kunnen redden van alle kunstschatten in de verwoeste stad. Op 7 februari zag hij tot zijn ontzetting dat de gehavende toren van de Eusebiuskerk was ingestort. De toren begaf het op het mo­ment dat de Duitsers de laatste res­tanten van de in oktober 1944 door de Amerikanen gebombar­deerde Rijnbrug opbliezen. De be­zetter bereidde zich zo voor op de opmars van de geallieerden vanaf het zuiden. De stad was vergeven van loopgraven, in het bijzonder langs de Rijn. Later zouden de geal­lieerden over de IJssel komen.
Van Schilfaarde stuurde onderge­schikte G. M. Sturm naar Arnhem om de schade aan de kerk op te ne­men. Hij concludeerde dat de to­ren kennelijk al op instorten stond na de eindeloze beschietingen en de invloed van het gure winter­weer, met sneeuw en vorst.

De Eusebiuskerk kort na de Slag om Arnhem in september 1944

De Eusebiuskerk kort na de Slag om Arnhem in september 1944

Tus­sen de vormeloze skeletresten van enkele muren stond ‘het noordwes­telijk hoekpenant tot ongeveer de hoogte van de derde omloop als een spichtige naald omhoog’, al­dus Sturms verslag. Die naald groeide later uit tot een icoon van de Arnhemse lijdensweg. Hij stak als een verminkte hand met ver­manende vinger naar de op hol ge­slagen mensheid boven de puinho­pen uit. Op zondagmiddag 17 september 1944 vielen geallieerde bommen op de Arnhemse binnenstad. Een groep mannen van de Kunstbe­schermingsdienst hield zich in de kerk paraat om branden te blussen temidden van de strijd. Twee keer kwamen ze in actie. Maandagmor­gen zag een Arnhemmer vanuit de Koningstraat dat de bovenste balus­trade van de toren werd wegge­schoten.
Een tweede granaat ketste af op de oostelijke wijzerplaat ‘tusschen de cijfers IV en V’. Dezelfde dag nog zagen ooggetuigen militairen op het dak van de kerk klauteren. Wa­ren het Britten of Duitsers? Nie­mand kon het met zekerheid ver­tellen. De Duitsers waren als de dood dat de geallieerden de toren zouden veroveren om hen vanaf die plek onder vuur te nemen.

Nog erger zou het zijn als vuurge­leiders van de Britse artillerie zich bovenin de kerk zouden verschan­sen. De Eusebiuskerk werd zo doel­wit van doelbewuste beschietin­gen.

In de nacht van dinsdag op woens­dag sloegen de vlammen uit de to­renspits. Granaatsplinters brach­ten de klokken en het carillon in beweging. Spookachtig gelui, tot in Arnhem-Zuid te horen, hing woensdagmorgen boven het ru­moer van het slagveld. De brand­weer smeekte de Duitsers om op zijn minst het dak van de kerk te mogen blussen.

Een militair vond het een dwaas verzoek. De binnenstad moest te­gen de grond voor een vrij schoots­veld op de geallieerden bij de brug. Met inzet van tanks en ander ge­schut werd een deel van het kar­wei geklaard. Her en der staken sol­daten zelf met spiritus huizen in brand. Later werd de stad op last van de bezetter ontruimd. Pas op vrijdag 22 september mocht de brandweer Arnhem weer in.

(De Gelderlander, 17 september 2011)